XIIIe (XIIf-5). Ds. Johannes Jacobus Asuerus Ploos van Amstel

Archief Ploos van Amstel

Portret van Ds. Johannes Jacobus Asuerus Ploos van Amstel

Olie op panel

Gedateerd rond 1880

 

PLOOS VAN AMSTEL (Johannes Jacobus Asuerus), vermaard en geliefd rechtzinnig prediker, geb. te Nieuwer Amstel 2 Nov. 1835, overl. 2 Aug. 1895. Eerst bestemd voor den boekhandel, later voor het notariaat, doch na zijn bekeering dorstend naar het predikambt. Studeerde te Utrecht, werd 9 Aug. 1860 proponent te Zwolle, 14 April 1861 predikant te Otterloo, 10 Oct. 1863 te Reitsum. Deze kleine gemeente werd een middelpunt van nieuw godsdienstig leven in Friesland. Er zullen weinig plaatsen zijn in deze provincie, waar hij niet optrad. Overal verdrong men zich om hem te hooren. 26 Jan. 1866 kwam hij te Anjum, 19 Apr. 1868 te Ridderkerk, 16 Mei 1869 te Groningen, 12 Nov. 1871 te Hilversum, 23 April 1876 te Reitsum, waar hij bleef arbeiden tot zijn dood. Hij heeft veel gedaan voor het christelijk onderwijs. In 1877 werd hij voorzitter van het friesche Jongelingsverbond. Het militair tehuis te Leeuwarden en de zending hadden zijn geheele hart. In den kerkelijken strijd zijner dagen stond hij vooraan. 9 Febr. 1886 leidde hij Reitsum c.a. in doleantie. Hij zag met heimwee uit naar een vereeniging van alle Gereformeerden in Nederland. Zoo werkte hij krachtig mede tot de ineensmelting van de kerken A en B in 1892. ‘Vader’ Ploos, zooals hij genoemd werd, stond alom bekend om zijn vroomheid. Hij is een figuur in het friesche Reveil.

Literatuur: L. Wagenaar, Een wandel met God (Amst. 1895). Opgave van zijn geschriften en verdere literatuur bij Visscheren van Langeraad, Het protestantsche Vaderland I, 160.

Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek (NNBW) Del 2 blz 1106 http://www.biografischportaal.nl/persoon/83404020

DS. J. J. A. PLOOS VAN AMSTEL EEN DOLEANTIEDOMINEE 

 

REITSUM : onaanzienlijk terpdorpje onder de onmetelijke luchten van de Noordfriese klei. Het kerkje, omgeven door het kerkhof, pastorie en school, enige forse boerderijen en verspreide arbeiderswoningen. Het middelste der drie zogenaamde „Vlieterpen" of vluchtheuvels, herinnerend aan vroegere watervloeden: Genum, Reitsum en Lichtaard. Het Ulrum der Friese Doleantie, onlosmakelijk verbonden met de figuur van „Vader Ploos", ds. J. J. Ploos van Amstel.[…]

Hoewel opgeruimd van aard voelde de jonge Johannes zich in de studentenwereld niet in zijn element, wel temidden van zijn boeken. De aandrang tot prediken was menigmaal zo krachtig, dat hij elke gelegenheid daartoe aangreep, zodat hij voor zijn proponents-examen reeds meer dan tachtig keer had gesproken. Het goud zou echter nog door het vuur worden beproefd! […]

De herderlijke arbeid verschafte de jeugdige predikant veel genoegen. De gemeentenaren waardeerden het. Men zei spoedig: „Je bent er nog geen twee minuten, of hij spreekt al met je over het goede!" De verhouding met de broeders-ambtsdragers was uitstekend. Ploos'' dagboek vermeldt uit deze tijd: „Een kerkeraadsvergadering gehad met kerkvoogden en notabelen zoo zalig, zoo hemelsch, dat ik die nooit vergeten zal!" […]

 

Zware beproevingen

Op 24 juni 1862 treedt hij in het huwelijk met Jonkvrouw Jacoba Elisabeth Isabella Caroline de Geer, 23 jaar oud. Ds. P. van Toorenenbergen te Barneveld, zegent het huwelijk in. Ploos spreekt in zijn dagboek van ‘een Kananeesche bruiloft’. De Heere legde in deze verbintenis een dubbele band.
Op 9 juli 1863 kwam het beroep naar Reitsum en onderhorigheden in Friesland. Niettegenstaande de liefdesaandrang der gemeente boog de Heere Ploos'' hart over met de woorden van Gen. 12 : 1 over de roeping van Abraham. Op 27 sept. preekte hii afscheid in „een aandoenlijke afscheidsure". De herinnering aan ds. Ploos van Amstel bleef nog jaren levend, maar zijn eigenlijke arbeidsveld zou toch elders zijn!
[…]

Ploos'' lichaam vermagerde, zijn haar begon te grijzen en werd spoedig wit, mede ten gevolge van het verlies van zijn vrouw in 1870. „En zoo werd hij dan om zijn grijsheid, reeds lang voor zijn vijftigste jaar „Vader Ploos" genoemd." (Rullman)
Na zijn vertrek uit Ridderkerk ging „de wolkkolom zijner ziele niet meer voor." De prachtige pastorie te Ridderkerk werd ingewisseld voor ''n somber, lelijk huis. Ploos'' intree had plaats in de indrukwekkende Martinikerk te Groningen. Als gewoonlijk was de toeloop bij Ploos'' optreden overstelpend, ook van de „afgescheidenen". Een teken dat zijn prediking weerklank vond. ''s Morgens om 6 uur stond reeds een menigte volk voor de deuren der kerk, als om zeven uur in de vroegpreek de geliefde leraar zou optreden. Dit tot ergernis van zowel evangelischen als modernen.

Maar onder dit alles bleef Ploos'' zieleleven - in weerwil van verkwikkingen - in raadselen en duisternissen gehuld en onder het besef van Gods ongenoegen. En onder deze bange omstandigheden trof hem de verpletterende slag van de dood van zijn geliefde vrouw. Het dagboek legt hiervan een aangrijpend getuigenis af.
„Ik deed mijn intree in de Martinikerk. Dat was tevens de laatste kerkgang van mijn dierbare Betsy. Op 26 mei beviel zij. Spoedig openbaarde zich de koorts. Zondag had ik vroegpreek. Ik sprak uit Psalm 136: 1. Ik sprak erover hoe Gods goedertierenheden zelfs gekend worden in de donkerste wegen, in wegen van smart en lijden. Deze predikatie was een profetisch woord, ''s Namiddags sprak ik in de Nieuwe Kerk en thuiskomende vond ik mijn dierbare Betsy krankzinnig "

Het dagboek vervolgt dan: „Wat ik uitgestaan heb is onbeschrijfelijk. Ik had haar zo innig lief. En zij mij. Ik voelde, ik moest haar missen. Ik stond een vreselijk lijden door. Haar te missen, mijn lieve vrouw, de lieve moeder der kinderen... en dat in deze omstandigheden... het was mij te zwaar. Ik had haar zoo zielslief. En ik kon zelfs geen woord met haar spreken. Zij ijlde. Alleen nog sprak zij in een oogenblik van kalmte: „De Heere is mijn Herder... Hij leidt mij zachtkens aan zeer stille wateren..." Wat leed ze verschrikkelijk en wat leed ik met haar. Eindelijk bezweek ze. Zaterdag na den middag 5 juni, om half vier. Daar lag ze, die ik zoo vurig bemind had. Het was een ontzachlijk offer."

Hoe graag, schrijft de zwaarbeproefde Ploos, had hij nog afscheid van haar genomen en veel met haar gesproken. Waarlijk, Gods hartekinderen zijn menigmaal zijn smartekinderen! Bijna zeven jaar mochten zij in een gezegend huwelijk verbonden zijn, waarin zij „samengesnoerd waren door liefde in de gemeenschap des Heiligen Geestes." […]

 

Het juk der synodale hiërarchie

Hoe beminnelijk en oprecht van karakter Ploos als leraar, hoe idyllisch het kerkelijk leven te Reitsum ook geweest moge zijn, niettemin bleef men niet gevrijwaard van kerkelijke strijd. Liberalisme en vrijzinnigheid vierden ook in Friesland hoogtij en al voelde de gemeente weinig van het juk der synodale hiërarchie, haar leraar des te meer. […]

 

Bittere ervaringen

Inmiddels openbaarden zich bij de Reitsumer leraar verschijnselen van suikerziekte en werd de zwaarlijvig geworden man telkens door duizelingen overvallen. Ook in zijn laatste levensjaren bleef het verdriet hem niet bespaard. Mocht hij het nog beleven dat hij tot tweemaal toe een zoon in het ambt van herder en leraar mocht bevestigen, hij moest ook nog menige bittere ervaring opdoen, ook in het kerkelijke leven. […]

 

Vrije Universiteit te Amsterdam  1892

Ook over de koers van de Vrije Universiteit te Amsterdam was Ploos niet gerust. Hij voelde zich „het bloed van schaamte naar het hoofd vliegen, als hij de Gerf. Kerken hulp ziet vragen bij een Universiteit, die staat buiten de erve der Kerken Christi." De Heere had, volgens zijn zeggen hem ingegeven dat ook van de kerken de beoefening der wetenschap (i.e. de theologie) moest uitgaan en dat mitsdien de Vrije Universiteit" als een particuliere instelling moest worden „onze Kerkelijke Universiteit" inzake de opleiding van toekomstige dienaren des Woords. De Vrije Universiteit kwam hem voor „als een schip dat niet behoort tot de rederij des grooten Konings." Dr.Wagenaar meent - met een beroep op het eigen organisch karakter van Wetenschap en Universiteit - dat ds. Ploos hier tot een „zieledwaling" is vervallen. Een gemoedsmens als hij kon hier lichtelijk toe geraken en zijn vereerders zouden aldus voor vergoding worden bewaard. Ziende op de uitkomst weten wij nog niet zo zeker of de „gemoedelijke Ploos" inzake de VU heeft misgetast! […]

 

Een ‘dolerende’ Ploos

Bracht de Doleantie weliswaar verlossing van het synodale juk, zij bracht geen heerlijke kerkstaat op aarde. Over menig kerkelijk verschijnsel was - zoals we reeds zagen - Vader Ploos met zorg vervuld. Deze zorg gold zowel de achtergebleven broeders in de Herv. Kerk als de bezwaarde „dolerenden" en afgescheidenen. De aanhef van zijn laatste vlugschrift is onthullend: „De tegenwoordige dagen vervullen mij met innige smart en zorg en dringen mij tot gedurig gebed, dat de Gods des lichts en van alle genade die de alleen Machtige is om licht in de duisternis te doen opgaan, ook licht verspreide in de nachtelijke duisternis, waarin wij ons bevinden op kerkelijk gebied..." Waarlijk, de Doleantie-dominee bleef dolerend (is klagend). […]

 

Uit: DS. J.J.A. PLOOS VAN AMSTEL EEN DOLEANTIEDOMINEE (I, II en III)

W. van der Zwaag Gepubliceerd juli 1974

 

https://www.digibron.nl/search/detail/012ea5dada3030e6de7e2b9a/ds-j-j-ploos-van-amstel-een-doleantiedominee-i

 

http://www.wikiwand.com/nl/De_Geer_(geslacht)

 

 

Hoe beminnelijk en oprecht van karakter Ploos als leraar, hoe idyllisch het kerkelijk leven te Reitsum ook geweest moge zijn, niettemin bleef men niet gevrijwaard van kerkelijke strijd. Liberalisme en vrijzinnigheid vierden ook in Friesland hoogtij en al voelde de gemeente weinig van het juk der synodale hiërarchie, haar leraar des te meer.  […] De Vrije Universiteit kwam hem voor „als een schip dat niet behoort tot de rederij des grooten Konings."