Archief Ploos van Amstel

VIIIb (VIIa-7). Engelbert Ploos (van Amstel)

Aen sijnne Hoocheydt

den Heere Prinse van

Oranjen

Doorluchtige Hoogh Geboorne Vorst,

Also ick niet anders can bespeurren of de franssen sullen in t’corten eens subitelijck de provintie van Utrecht coomen te verlaeten en nootsaeckelijk aengeleegen is, dat bij tijts goede sorge voor de sluijsen aen de Vaert werde gedraegen en bericht worde dat den casteleijn der selfen overleeden is: en al waere in leeven gebleeven soudde bij de gemeenten aldaer niet aengenaem noch smaeckelijck geweest sijn en dat uijt oorsaecke dat die selfs casteleijn al lange te vooren eer U Hocheijdt met sijne armee tot Utrecht quam de sluijsen hadde verlaetten en oock om dat hij een formeel parij en een vijant van U Hoochts: famillje was geweest. Soo is mijn ootmoedelijck versoeck dat U Hoocheijdt mijn soon genaempt Wilhelm Hendrick Ploos van Amstel [4 jaar oud] met het selfe casteleijnschapp van de sluijsen aan de Vaert gelieve te beneficieeren, opdat promptelijck in cas bij subijte verlaettinge der franssen als anders bij tijts goede sorge bij mijn daer voor can werden gedraeggen: Hebbe U Hoocht: secretaeris van alle breeder onderricht en de oorsaeck van mijn ootmoedich versoeck bij missive te kennen gegeeven. Hoope U Hoocht: de goetheijdt sal hebben van met hetselfen mijn soon te begenaedigen, U Hoocht: sla gelieven te compareeren dat ick den enigste Edelman ben van de provintie van Utrecht die twee soo groote considerable huysen [Gunterstein en Huis de Wiers] was besittende en alle beijden de uijtterste posten teegn Hollandt, en over de hondert en darticht duijsen gl. aen schaeden door de franssen daer aen geleeden soo dat bijkans totaliter met mijnne kinderen ben geruineert, doch mijn vertrouwen is, dat U Hoocht: niet sal verlaetten een persoon, die altijt is geweest in Uw Hoocheijdts dienst van den jaeren 1633 af en altijt sal blijven totter doot toe.

U Hoocheijdts

Alder getrouwste en Alderonderdanigste

Dienaer

E. Ploos van Amstel tot Guntersteyn

(Koninklijk Huisarchief (A16-XI-F-95)

Gunterstein werd op 12 september 1673 door de Fransen in de lucht geblazen

Engelbert Ploos van Amstel (1626 –1680) de laatste bewoner Oud (Tweede) Gunterstein

1672-1673 rampjaren voor de Utrechtse tak Ploos van Amstel

Na de inval van de Fransen in 1672/73 blijft het Sticht verarmd achter. Hoge belastingen waren geheven, veel huizen gingen in vlammen op en er was veel geplunderd. Diverse ridderhofsteden, ook al waren deze nauwelijks meer van strategische betekenis, werden opgeblazen of verbrand. De aangerichte schade komt vrijwel geheel ten laste van de Stichtse samenleving, zij het niet voor ieder in dezelfde mate. Zodra de Fransen zijn vertrokken, probeert men zijn vorderingen op anderen zo snel mogelijk te innen. De Staten gaan daarin voor door versneld de achterstallige belastingen en de bijdragen in de hoge oorlogslasten op de inwoners te verhalen. Beslagleggingen en executies zijn al snel aan de orde van de dag.

[…] Engelbert komt er beduidend slechter vanaf. Zijn kasteel Gunterstein is door de terugtrekkende Fransen in september 1673 in brand gestoken en de slottoren is opgeblazen. Ook zijn buitenhuis 'De Wiers' bij Vreeswijk is bij de inval in 1672 beschadigd en de grote bijbehorende hoeve ging in vlammen op. Engelbert schat zelf zijn schade op 130.000 gld. In een brief aan stadhouder Willem III schrijft hij:

'... ick den eenighste edelman ben vande provincie van Utrecht die twee soo groote considerable huysen was besittende en alle beyden de uyterste posten tegen Hollandt, en over de hondert en dartich duysendt gulden aen schaeden door de Fransen daer aen geleden, soo dat bijkans totaliter met mijne kinderen ben geruineert'.

Voor de inval van de Fransen kon Engelbert beschikken over een vermogen vastgelegd in ridderhofsteden, gronden, heerlijke rechten, obligaties enzovoort van omstreeks 270.000 gld. Hierin zat voor een bedrag van 42.000 gld. aan rentebrieven ten laste van de prins van Oranje, die Engelbert als rentmeester van Buren aan de prins als graaf van Buren had geleend en waaraan de prins als zekerheid zijn landerijen in Buren had verbonden 201. Daar tegenover had Engelbert een schuldenlast van bijna 100.000 gld.. De helft hiervan werd gevormd door leningen bij Utrechters, die gebruikt waren om de door de prins gevraagde 42.000 gld. te leveren. De andere helft was grotendeels in Gunterstein gestoken. Door de oorlogsschade en de waardedaling van onroerend goed, kan hij nog slechts beschikken over globaal 60.000 gld. aan onroerend goed en een vordering op de prins van 42.000 gld. Daar tegenover blijft de schuldenlast onverminderd 100.000 gld. Zijn mededeling dat hij en zijn kinderen geruïneerd zijn klopt dus wel. Als dan blijkt dat hij bij de prins zijn geld door 'constitutie van tijden en saecken niet conde repeteren', terwijl zijn Utrechtse geldschieters hun geld toch wel willen terugzien, raakt Engelbert in onoplosbare problemen. In deze problemen sleurt hij broer Gerard mee. De oorzaak daarvan is dat Gerard bij veel van Engelberts leningen ten behoeve van de prins als borg is opgetreden. Zo lang Gerard de schuldeisers van zijn broer ter wille kan zijn, zorgt hij voor aflossing of voor een zekerstelling. Hij aanvaardt de volle verantwoordelijkheid van zijn borgstelling en probeert er niet via processen onderuit te komen.

[…] januari 1680, de maand waarin […] Engelbert overlijdt. Zijn sterven vormt het startsein voor zijn crediteuren zich op de nagelaten boedel te storten. De voogden van Engelberts onmondige kinderen weten toch nog een interessant deel voor hen te redden, zoals het huis 'De Wiers' bij Vreeswijk, juwelen, 75 morgen land. Om toch nog iets terug te zien van hetgeen broer Gerard al voor Engelbert had betaald als beschadigde borg, schaart ook hij zich onder de crediteuren. Maar niet hij alleen, maar ook menig ander familielid dat Engelbert financieel heeft bijgestaan. Vele processen volgen, waarbij ieder probeert een preferente claim op één van Engelberts goederen te leggen. Alleen de gaardermeesters krijgen het volle pond voor achterstallige belastingen en een aantal procureurs en notarissen voor hun kosten bij het afhandelen van alle processen en executies. Gerard en de vele andere crediteuren krijgen minder dan 25% van hun claims vergoed. De laatste sententie over de verdeling van de opbrengst dateert uit 1692 .

(uit Jaarboek Oud Utrecht (1984) pp 92-986)

 

'... ick den eenighste edelman ben vande provincie van Utrecht die twee soo groote considerable huysen was besittende en alle beyden de uyterste posten tegen Hollandt, en over de hondert en dartich duysendt gulden aen schaeden door de Fransen daer aen geleden, soo dat bijkans totaliter met mijne kinderen ben geruineert'.